Engels will en going to

Deze flashcards helpen leerlingen in de bovenbouw om de uitdrukkingen 'will' en 'going to' te begrijpen en te oefenen in het Engels.

OwlJulia3·37 tarjetas·19 preguntas·1 vistas
bovenbouwlanguagesenglish
0
Lo sé
1 / 37
0
Aprendiendo
Frente

will

Toca para voltear
Reverso

zullen

Toca para voltear
Lo sé
Aprendiendo

Quiz(19 preguntas)

Pregunta 1 de 19

1. Wat betekent 'will'?

Términos en este set(37)

will

zullen

going to

van plan zijn om

I will eat

ik zal eten

She is going to visit

Zij gaat bezoeken

They will play

zij zullen spelen

We are going to travel

Wij gaan reizen

He will call

Hij zal bellen

It is going to rain

Het gaat regenen

You will understand

Jij zult begrijpen

I am going to study

Ik ben van plan te studeren

We will see

Wij zullen zien

She is going to learn

Zij gaat leren

They will arrive

Zij zullen aankomen

I am going to work

Ik ga werken

He will help

Hij zal helpen

It is going to be cold

Het gaat koud zijn

You are going to win

Jij gaat winnen

We will finish

Wij zullen afmaken

She is going to cook

Zij gaat koken

They will join

Zij zullen meedoen

I will buy

Ik zal kopen

He is going to play

Hij gaat spelen

It will be interesting

Het zal interessant zijn

You are going to read

Jij gaat lezen

We will discuss

Wij zullen bespreken

She will travel

Zij zal reizen

They are going to start

Zij gaan beginnen

I will remember

Ik zal herinneren

He is going to buy

Hij gaat kopen

It is going to snow

Het gaat sneeuwen

You will enjoy

Jij zult genieten

We are going to explore

Wij gaan verkennen

She will explain

Zij zal uitleggen

They are going to meet

Zij gaan ontmoeten

I will try

Ik zal proberen

He is going to finish

Hij gaat afmaken

It will be fun

Het zal leuk zijn

Preguntas en este set(19)

1. Wat betekent 'will'?

A.zullen
B.van plan zijn om
C.gaan
D.moeten

2. Welk woord betekent 'van plan zijn om'?

A.will
B.going to
C.help
D.study

3. Wat betekent 'I will eat'?

A.ik zal eten
B.ik ga eten
C.ik eet
D.ik eet graag

4. Welk woord betekent 'zij zullen spelen'?

A.They will play
B.They are going to play
C.They play
D.They played

5. Wat betekent 'He is going to call'?

A.Hij zal bellen
B.Hij gaat bellen
C.Hij belt
D.Hij belde

6. Welk woord betekent 'zij gaan reizen'?

A.They are going to travel
B.They will travel
C.They travel
D.They traveled

7. Wat betekent 'It is going to rain'?

A.Het gaat regenen
B.Het zal regenen
C.Het regent
D.Het regende

8. Welk woord betekent 'ik zal kopen'?

A.I will buy
B.I am going to buy
C.I buy
D.I bought

9. Wat betekent 'We will see'?

A.Wij zullen zien
B.Wij gaan zien
C.Wij zien
D.Wij zagen

10. Welk woord betekent 'zij gaat leren'?

A.She is going to learn
B.She will learn
C.She learns
D.She learned

11. Wat betekent 'He will help'?

A.Hij zal helpen
B.Hij gaat helpen
C.Hij helpt
D.Hij hielp

12. Welk woord betekent 'zij zullen aankomen'?

A.They will arrive
B.They are going to arrive
C.They arrive
D.They arrived

13. Wat betekent 'I am going to study'?

A.Ik ben van plan te studeren
B.Ik ga studeren
C.Ik studeer
D.Ik studeerde

14. Welk woord betekent 'het gaat koud zijn'?

A.It is going to be cold
B.It will be cold
C.It is cold
D.It was cold

15. Wat betekent 'You are going to win'?

A.Jij gaat winnen
B.Jij zult winnen
C.Jij wint
D.Jij won

16. Welk woord betekent 'zij gaat koken'?

A.She is going to cook
B.She will cook
C.She cooks
D.She cooked

17. Wat betekent 'We will finish'?

A.Wij zullen afmaken
B.Wij gaan afmaken
C.Wij maken af
D.Wij maakten af

18. Welk woord betekent 'Het gaat sneeuwen'?

A.It is going to snow
B.It will snow
C.It snows
D.It snowed

19. Wat betekent 'He is going to play'?

A.Hij gaat spelen
B.Hij zal spelen
C.Hij speelt
D.Hij speelde

Sets relacionados

Crea tu propio set de estudio

Sube un PDF, pega tus notas o describe un tema – la IA genera tarjetas, quizzes y más en segundos.