Herhaling: Eindexamen DNA

Herhaling voor het Eindexamen DNA met belangrijke vragen en antwoorden over genetica.

Happy89·19 tarjetas·15 preguntas·1 vistas
eindexamenbiologygenetics
0
Lo sé
1 / 19
0
Aprendiendo
Frente

Wat is DNA?

Toca para voltear
Reverso

DNA (deoxyribonucleic acid) is het molecuul dat de genetische instructies voor de ontwikkeling en functie van levende organismen bevat.

Toca para voltear
Lo sé
Aprendiendo

Quiz(15 preguntas)

Pregunta 1 de 15

1. Wat is de functie van DNA?

Términos en este set(19)

Wat is DNA?

DNA (deoxyribonucleic acid) is het molecuul dat de genetische instructies voor de ontwikkeling en functie van levende organismen bevat.

Wat zijn de basen van DNA?

De vier basen van DNA zijn adenine (A), thymine (T), cytosine (C) en guanine (G).

Wat is een gen?

Een gen is een segment van DNA dat de instructies voor het maken van een specifiek eiwit bevat.

Wat is een chromosoom?

Chromosomen zijn lange strengen DNA die genetische informatie bevatten en in paren in de celkern zijn georganiseerd.

Wat is het genoom?

Het genoom is de volledige set genetisch materiaal in een organisme, inclusief alle genen en niet-coderend DNA.

Wat is het verschil tussen genotype en fenotype?

Genotype is de genetische samenstelling van een individu, terwijl fenotype de uiterlijke eigenschappen en kenmerken zijn.

Wat zijn allelen?

Allelen zijn verschillende versies van een gen die op dezelfde locus van een chromosoom kunnen voorkomen.

Wat is een mutatie?

Een mutatie is een verandering in de nucleotidevolgorde van DNA, wat kan leiden tot veranderingen in eiwitten en eigenschappen.

Wat doet DNA-polymerase?

DNA-polymerase is het enzym dat nucleotiden toevoegt tijdens de replicatie van DNA.

Wat is het doel van PCR?

PCR (Polymerase Chain Reaction) wordt gebruikt om specifieke DNA-segmenten te amplificeren, zodat er genoeg materiaal is voor analyse.

Wat is de rol van RNA?

RNA (ribonucleic acid) speelt een belangrijke rol bij het vertalen van genetische informatie in eiwitten.

Wat is transcription?

Transcription is het proces waarbij DNA wordt omgezet in mRNA, dat de genetische informatie naar de ribosomen vervoert.

Wat is translatie?

Translatie is het proces waarbij ribosomen mRNA gebruiken om aminozuren aan elkaar te koppelen en eiwitten te vormen.

Wat zijn stikstofbasen?

Stikstofbasen zijn de bouwstenen van nucleotiden die DNA en RNA vormen, inclusief A, T, C, G en U.

Wat is het verschil tussen DNA en RNA?

DNA bevat de genetische informatie en is dubbelstrengs, terwijl RNA enkelstrengs is en betrokken is bij eiwitsynthese.

Wat is een fenotypische verhouding?

Een fenotypische verhouding beschrijft de verhouding van verschillende fenotypes die voortkomen uit een genetische kruising.

Wat is een testkruising?

Een testkruising is een kruising met een homozygoot recessief individu om het genotype van een onbekend individu te bepalen.

Wat betekent homozygoot?

Homozygoot betekent dat een individu twee identieke allelen voor een bepaald gen heeft.

Wat betekent heterozygoot?

Heterozygoot betekent dat een individu twee verschillende allelen voor een bepaald gen heeft.

Preguntas en este set(15)

1. Wat is de functie van DNA?

A.A: Genetische informatie opslaan
B.B: Energie produceren
C.C: Zuren neutraliseren
D.D: Voeding opnemen

2. Wat is een voorbeeld van een mutatie?

A.A: Verandering in eiwitsynthese
B.B: Verandering in celstructuur
C.C: Verandering in metabolisme
D.D: Geen verandering

3. Wat is het resultaat van translatie?

A.A: RNA wordt gemaakt
B.B: Eiwitten worden gevormd
C.C: DNA wordt gerepliceerd
D.D: Cel wordt gedeeld

4. Wat gebeurt er tijdens de DNA-replicatie?

A.A: DNA wordt gesplitst
B.B: DNA wordt vervangen
C.C: DNA wordt afgebroken
D.D: DNA wordt doorgegeven

5. Wat is de rol van ribosomen?

A.A: Energie produceren
B.B: Eiwitsynthese
C.C: DNA repliceren
D.D: Celmembraan vormen

6. Veroorzaakt een mutatie altijd een ziekte?

A.A: Ja, altijd
B.B: Nee, nooit
C.C: Soms
D.D: Afhankelijk van het gen

7. Wat is de functie van RNA-polymerase?

A.A: DNA repliceren
B.B: RNA synthetiseren
C.C: Eiwitten afbreken
D.D: Chromosomen splitsen

8. Wat zijn fenotype en genotype?

A.A: Genotype is zichtbaar
B.B: Fenotype is genetisch
C.C: Genotype bepaalt fenotype
D.D: Fenotype is constant

9. Wat is de functie van een gen?

A.A: Eiwitten coderen
B.B: Energie opslaan
C.C: DNA afbreken
D.D: Celcommunicatie

10. Wat gebeurt er bij een testkruising?

A.A: Genotype wordt ontdekt
B.B: Fenotype wordt genezen
C.C: Chromosomen worden gekopieerd
D.D: DNA wordt vernietigd

11. Wat zijn de effecten van een chromosoomafwijking?

A.A: Geen effect
B.B: Verwonding
C.C: Genetische aandoeningen
D.D: Afscheiding

12. Is DNA altijd gelijk in alle cellen?

A.A: Ja, volledig identiek
B.B: Nee, varieert per type cel
C.C: Alleen in somatische cellen
D.D: Alleen in gameten

13. Wat is de functie van een promoter?

A.A: Genen uitschakelen
B.B: Genen activeren
C.C: Celstructuur ondersteunen
D.D: Genetische informatie opslaan

14. Wat is het resultaat van crossing-over?

A.A: Identieke chromosomen
B.B: Genetische variatie
C.C: Verlies van genen
D.D: Onveranderde genen

15. Wat is het verschil tussen een diploïde en haploïde cel?

A.A: Aantal chromosomen
B.B: Soort DNA
C.C: Taal van expressie
D.D: Functie in het lichaam

Sets relacionados

Crea tu propio set de estudio

Sube un PDF, pega tus notas o describe un tema – la IA genera tarjetas, quizzes y más en segundos.