Suïcidaliteit en verpleegkundige zorg

Deze begrippenlijst biedt een overzicht van belangrijke termen gerelateerd aan suïcidaliteit en verpleegkundige zorg, essentieel voor studenten in de verpleegkunde op hbo-niveau. De termen variëren van basisconcepten tot specifieke verpleegkundige interventies.

OwlJulia3·72 flashcards·72 questions
hbonursingmental_health
0
Known
1 / 72
0
Learning
Front

Wat is suïcidaliteit?

Tap to flip
Back

Suïcidaliteit verwijst naar het hebben van gedachten, plannen of daden om zichzelf opzettelijk te doden.

Tap to flip
Got it
Still learning

Quiz(72 questions)

Question 1 of 72

1. Wat is het doel van risicotaxatie?

Terms in this Study Set(72)

Basisbegrippen suïcidaliteit(16)

Wat is suïcidaliteit?

Suïcidaliteit verwijst naar het hebben van gedachten, plannen of daden om zichzelf opzettelijk te doden.

Definitie van suïcide.

Suïcide is de daad van zelfdoding, waarbij iemand opzettelijk zijn of haar leven beëindigt.

Verschil tussen suïcidaliteit en suïcide.

Suïcidaliteit betreft gedachten en intenties, terwijl suïcide de daadwerkelijke uitvoering is.

Wat zijn suïcidepreventieve maatregelen?

Acties die gericht zijn op het verminderen van suïcidaliteit, zoals gesprekken en therapieën.

Wat zijn warning signs?

Signaleringen die duiden op suïcidaliteit, zoals veranderingen in gedrag of stemmingen.

Fill in the blank: Een _____ is een specifieke gebeurtenis die kan leiden tot suïcidaliteit.

trigger

Geef een voorbeeld van een risicofactor.

Depressie, eerdere suïcidepogingen, of een geschiedenis van trauma.

Waar staat de term 'suïcidecrisis' voor?

Een acute situatie waarin iemand zich in een intense suïcidaliteit bevindt en onmiddellijke hulp nodig heeft.

Wat bedoelen we met 'zelfdodingsgedachten'?

Denkbeelden waarin iemand overweegt zichzelf te doden, zonder dat er een concreet plan is.

Wat is de rol van de verpleegkundige bij suïcidaliteit?

Verpleegkundigen bieden steun, signaleren risicofactoren en verwijzen naar hulpverlening.

Waarop moet je letten bij suïcidale patiënten?

Veranderingen in gedrag, sociale isolatie, en uitspraken over wanhoop.

Dat klopt of dat klopt niet: Suïcidaliteit is altijd zichtbaar.

Dat klopt niet. Suïcidaliteit kan verborgen zijn achter een façade van normaliteit.

Wat zijn copingmechanismen?

Strategieën die mensen gebruiken om met stress, emoties of suïcidaliteit om te gaan.

Wat is een veiligheidsplan?

Een schriftelijk plan dat stappen bevat voor patiënten om veilig te blijven in crisis.

Verschil tussen directe en indirecte suïcidaliteit.

Directe suïcidaliteit betreft duidelijke daden, indirecte verwijst naar zelfdestructief gedrag.

Wat is de betekenis van de term 'stigma' in suïcidaliteit?

Stigma verwijst naar de negatieve stereotypen en oordelen die mensen over suïcidaliteit hebben.

Verpleegkundige interventies(20)

Wat is een risicotaxatie?

Een risicotaxatie is het proces van het beoordelen van de kans op suïcidaliteit bij een patiënt. Dit omvat het verzamelen van informatie over eerdere pogingen, psychische gezondheid en sociale omstandigheden.

Waarom is een vertrouwensband belangrijk?

Een vertrouwensband bevordert open communicatie. Patiënten voelen zich veiliger om hun gevoelens te delen, wat essentieel is voor het herkennen van suïcidale gedachten.

Invloed van medicatie op suïcidaliteit:

- Antidepressiva kunnen suïcidale gedachten verminderen. - Sommige medicijnen kunnen bijwerkingen hebben die suïcidaliteit verhogen.

Wat is een veiligheidsplan?

Een veiligheidsplan is een document dat samen met de patiënt wordt opgesteld. Het bevat strategieën en contactgegevens voor hulp in crisissituaties.

Wat is actieve luistertechniek?

Actieve luistertechniek houdt in dat je volledig aandachtig luistert en bevestigend reageert. Dit helpt om de patiënt zich gehoord te voelen.

Verschil tussen suïcidaliteit en zelfbeschadiging:

Suïcidaliteit verwijst naar de intentie om te sterven, terwijl zelfbeschadiging vaak een copingmechanisme is zonder de intentie om te sterven.

Wat is psycho-educatie?

Psycho-educatie is het informeren van patiënten over hun aandoening en behandelmogelijkheden. Dit kan hun begrip en betrokkenheid bij de behandeling vergroten.

Hoe gebruik je de schaal van suïcidaliteit?

De schaal helpt verpleegkundigen om de ernst van suïcidale gedachten te beoordelen. Dit kan variëren van een laag risico tot een hoog risico.

Wat zijn ondersteunende gesprekken?

Ondersteunende gesprekken zijn gesprekken die gericht zijn op het bieden van emotionele steun en het verkennen van gevoelens van de patiënt.

Hoe ondersteun je een crisisinterventie?

Tijdens een crisisinterventie moet je kalm blijven, de situatie beoordelen en de patiënt begeleiden naar passende hulpbronnen.

Wat zijn gemeenschappelijke suïcidale signalen?

Signalen zijn onder andere: - Veranderingen in gedrag - Afscheid nemen van mensen - Het geven van bezittingen weg.

Wat is de rol van familiebetrokkenheid?

Familiebetrokkenheid kan steun bieden en helpt om een netwerk van zorg te creëren. Het kan ook bijdragen aan het herstelproces.

Wat is de betekenis van follow-up zorg?

Follow-up zorg verwijst naar de voortdurende ondersteuning na een crisis. Dit is cruciaal voor patiënten om terugval te voorkomen.

Vul in: De GAD-7 meet _________

De GAD-7 meet angstklachten, wat kan helpen bij het in kaart brengen van suïcidaliteit.

Wat is cognitieve gedragstherapie?

Cognitieve gedragstherapie is een therapeutische aanpak die helpt om negatieve denkpatronen te veranderen, wat kan bijdragen aan het verminderen van suïcidaliteit.

Wat zijn effectieve copingstrategieën?

- Ademhalingsoefeningen - Fysieke activiteit - Sociale steun zoeken.

Verschil tussen acute en chronische suïcidaliteit:

Acute suïcidaliteit is tijdelijk en kan door een specifieke gebeurtenis worden veroorzaakt, terwijl chronische suïcidaliteit langdurige gedachten en gevoelens met zich meebrengt.

Waarom zijn contactgegevens van hulpdiensten belangrijk?

Contactgegevens zijn essentieel voor snelle hulp. Ze bieden patiënten een directe weg naar ondersteuning in crisisperiodes.

Wat is een suïcideprotocol?

Een suïcideprotocol is een document dat richtlijnen biedt voor verpleegkundigen in het omgaan met suïcidale patiënten, met stappen voor interventie en escalatie.

Wat zijn signalen van verandering in suïcidaliteit?

Dingen om op te letten: - Verbetering van stemming - Plotselinge interesse in activiteiten - Verhoogde sociale interactie kan een waarschuwing zijn.

Risicofactoren en signalen(20)

Risicofactoren

Factoren die de kans op suïcidaal gedrag verhogen, zoals psychische aandoeningen, eerdere zelfdodingspogingen en sociale isolatie.

Wat is een belangrijke emotionele signaal?

Verdrietigheid en wanhoop zijn belangrijke emotionele signalen van suïcidaal gedrag.

Waar kan een verandering in gedrag op wijzen?

Een verandering in gedrag kan een signaal zijn van suïcidaal gedrag, zoals toenemende teruggetrokkenheid.

Sociale isolatie → Effect

Sociale isolatie kan leiden tot een verhoogd risico op suïcidaliteit door het gebrek aan steun.

Wat valt onder psychische aandoeningen?

Depressie, angststoornissen en persoonlijkheidsstoornissen zijn psychische aandoeningen die het risico verhogen.

Valse verklaring: Suïcidaliteit komt alleen voor bij volwassenen.

Onjuist, suïcidaliteit kan ook bij jongeren en kinderen voorkomen.

Waarschuwingstekens bij jongeren

Verhoogde prikkelbaarheid, slechte schoolprestaties en verandering in eet- of slaappatronen.

Wat is een signaal van suïcidale gedachten?

Het maken van doodswensen of het praten over de dood zijn belangrijke signalen.

Substantiegebruik → Risico

Het gebruik van alcohol en drugs kan de kans op suïcidaal gedrag verhogen.

Wat zijn emotionele instabiliteit en impulsiviteit?

Ze zijn risicofactoren voor suïcidaal gedrag omdat ze leiden tot ondoordachte beslissingen.

Verlies van een dierbare → Effect

Het verlies kan leiden tot intens verdriet en een verhoogd risico op suïcidaliteit.

Wat zijn levensveranderende gebeurtenissen?

Scheiding, ontslag of financiële problemen kunnen verhoogde suïcidaliteit met zich meebrengen.

Hoe herken je psychische pijn?

Door veranderingen in stemmingen, teruggetrokken gedrag en het vermijden van sociale interactie.

Onopgeloste trauma's → Risico

Onopgeloste traumatische ervaringen kunnen bijdragen aan suïcidaal gedrag.

Wat zijn de gevolgen van burn-out?

Burn-out kan leiden tot gevoelens van hopeloosheid en suïcidale gedachten.

Familiegeschiedenis van suïcidaliteit → Effect

Een familiegeschiedenis kan het risico op suïcidaliteit verhogen door genetische en omgevingsfactoren.

Wat zijn copingmechanismen?

Copingmechanismen zoals zelfbeschadiging kunnen een signaal zijn van suïcidaliteit.

Financiële stress → Risico

Financiële problemen kunnen leiden tot gevoelens van wanhoop en verhoogd suïcidaliteitsrisico.

Wat zijn signalen bij ouderen?

Sociale isolatie en verlies van levensdoel zijn belangrijke signalen van suïcidaliteit.

Identiteitsproblemen → Effect

Identiteitsproblemen kunnen leiden tot gevoelens van verwarring en suïcidale gedachten.

Ethische en juridische aspecten(16)

Wat zijn de rechten van patiënten?

Patiënten hebben recht op goede zorg, privacy, en geïnformeerde toestemming.

Waarvoor staat WCPR?

Wet Zorg en Dwang, regelt de rechten van cliënten met een verstandelijke beperking.

Ethische zorg betekent:

Zorg die rekening houdt met morele principes zoals autonomie, rechtvaardigheid en welzijn.

Waar is de BIG-registratie voor?

De BIG-registratie beschermt patiënten tegen ondeskundige zorg door gekwalificeerde zorgverleners.

Wat moet je doen bij suïcidaliteit?

Neem altijd suïcidaliteit serieus, biedt steun, en overweeg het inschakelen van professionele hulp.

Euthanasiewetgeving in Nederland:

Regelt de voorwaarden waaronder euthanasie legaal is, waaronder ondraaglijk lijden.

Wat betekent informed consent?

Patiënten moeten goed geïnformeerd worden en toestemming geven voor behandelingen.

Vergelijk: suïcidaliteit versus zelfbeschadiging.

Suïcidaliteit is gericht op het beëindigen van leven; zelfbeschadiging is vaak een copingmechanisme.

Wat is de rol van de verpleegkundige?

Verpleegkundigen observeren, rapporteren, en bieden emotionele ondersteuning aan patiënten.

Valse stelling: Privacy is minder belangrijk bij suïcidaliteit.

Onjuist. Privacy blijft essentieel, zelfs in crisis situaties.

Wat is de meldplicht?

Bij ernstige suïcidaliteit moet er melding gedaan worden bij de juiste instanties.

Invloed van cultuur op suïcidaliteit:

Cultuur kan de manier beïnvloeden waarop suïcidaliteit wordt waargenomen en behandeld.

Wat zijn de verantwoordelijkheden van de zorginstelling?

Zorginstellingen moeten veilige omgevingen bieden en adequate zorg garanderen.

Invloed van wetgeving op verpleegkundige zorg:

Wetgeving bepaalt de verantwoordelijkheden en rechten van verpleegkundigen in suïcidaliteitszorg.

Wat is de ethische uitdaging in suïcidaliteit?

Balanceren tussen het respecteren van autonomie en het waarborgen van veiligheid.

Invloed van familie op suïcidaliteit:

Familie kan steun bieden, maar ook druk veroorzaken die de situatie kan verergeren.

Questions in this Study Set(72)

1. Wat is het doel van risicotaxatie?

A.Het beoordelen van suïcidaliteit bij een patiënt.
B.Het stellen van een diagnose.
C.Het starten van medicatie.
D.Het opstellen van een behandelplan.

2. Wat zijn risicofactoren voor suïcidaal gedrag?

A.Factoren die de kans verhogen
B.Vrienden en familie
C.Hobby's en interesses
D.Financiële zekerheid

3. Wat is het doel van informed consent?

A.Patiënten moeten toestemming geven voor behandelingen.
B.Zorgverleners kunnen zonder toestemming handelen.
C.Patiënten hoeven niet geïnformeerd te worden.
D.Zorgverlening kan zonder toezicht plaatsvinden.

4. Wat is suïcidaliteit?

A.Het hebben van gedachten of plannen om zichzelf te doden.
B.Het ervaren van tijdelijke emoties.
C.Het praten over moeilijke persoonlijke situaties.
D.Het deelnemen aan sociale activiteiten.

5. Waarom is actieve luistertechniek belangrijk in de verpleegkundige zorg?

A.Het stelt de verpleegkundige in staat om instructies te geven.
B.Het bevordert open communicatie en laat de patiënt zich gehoord voelen.
C.Het versnelt het behandelproces.
D.Het vermindert de noodzaak van medicatie.

6. Welke emotionele toestand kan wijzen op suïcidaal gedrag?

A.Blijdschap
B.Verdrietigheid
C.Verveling
D.Onverschilligheid

7. Wat zijn de verplichtingen van verpleegkundigen bij suïcidaliteit?

A.Ze moeten alle informatie delen met andere patiënten.
B.Ze moeten suïcidaliteit serieus nemen en passende actie ondernemen.
C.Ze hoeven geen meldingen te doen.
D.Ze kunnen de situatie negeren als het niet ernstig lijkt.

8. Wat is de definitie van suïcide?

A.De daad van zelfdoding.
B.Een tijdelijke emotionele crisis.
C.Het zoeken naar hulp voor mentale problemen.
D.Een vorm van zelfexpressie.

9. Wat is een element van een veiligheidsplan?

A.Een lijst van medicijnen.
B.Contactgegevens voor hulp in crisissituaties.
C.Een behandelovereenkomst.
D.Een samenvatting van de diagnose.

10. Wat wijst vaak op een verandering in gedrag?

A.Toename van sociale activiteiten
B.Toename van eetlust
C.Verlies van interesse in sociale interactie
D.Verbeterde schoolprestaties

11. Wat is de Wet zorg en dwang (WZD)?

A.Een wet die de rechten van cliënten regelt in zorginstellingen.
B.Een wet die euthanasie in Nederland regelt.
C.Een wet die alleen voor geestelijke gezondheidszorg geldt.
D.Een wet die patiënten verbiedt om informatie te delen.

12. Wat is het belangrijkste verschil tussen suïcidaliteit en suïcide?

A.Suïcidaliteit omvat gedachten en intenties, terwijl suïcide de uitvoering is.
B.Suïcidaliteit is altijd zichtbaar, terwijl suïcide dat niet is.
C.Suïcidaliteit komt alleen voor bij jongeren, terwijl suïcide dat niet doet.
D.Suïcidaliteit is altijd een cry for help, suïcide niet.

13. Wat is een belangrijk kenmerk van een ondersteunend gesprek?

A.Het is gericht op het geven van advies.
B.Het is een eenzijdige communicatie.
C.Het biedt emotionele steun en verkent de gevoelens van de patiënt.
D.Het is uitsluitend gericht op de medische geschiedenis.

14. Wat is een gevolg van sociale isolatie?

A.Verhoogde steun
B.Verhoogd risico op suïcidaliteit
C.Betere mentale gezondheid
D.Meer sociale interactie

15. Wat betekent het begrip 'autonomie' in de zorg?

A.De patiënt heeft het recht om zelf keuzes te maken.
B.Zorgverleners nemen alle beslissingen voor de patiënt.
C.Patiënten moeten altijd gehoorzamen aan zorgverleners.
D.Er zijn geen rechten voor patiënten.

16. Wat zijn suïcidepreventieve maatregelen?

A.Acties die gericht zijn op het verminderen van suïcidaliteit.
B.Technieken om emoties te onderdrukken.
C.Therapieën die altijd medicatie vereisen.
D.Activiteiten die mensen afleiden van hun problemen.

17. Wat is een kenmerk van cognitieve gedragstherapie?

A.Het richt zich alleen op medicatie.
B.Het helpt bij het veranderen van negatieve denkpatronen.
C.Het is uitsluitend gebaseerd op gesprekken.
D.Het vereist geen betrokkenheid van de patiënt.

18. Welke aandoeningen verhogen het risico op suïcidaliteit?

A.Hoofdpijn
B.Depressie
C.Verkoudheid
D.Verlies van eetlust

19. Welke van de volgende situaties is een voorbeeld van zelfbeschadiging?

A.Een patiënt snijdt zichzelf om emotionele pijn te verlichten.
B.Een patiënt probeert zichzelf van het leven te beroven.
C.Een patiënt zoekt professionele hulp bij suïcidaliteit.
D.Een patiënt praat met vrienden over zijn problemen.

20. Wat zijn warning signs in de context van suïcidaliteit?

A.Gedragingen of uitspraken die wijzen op suïcidaliteit.
B.Positieve veranderingen in gedrag.
C.Het maken van nieuwe vrienden.
D.Een toename in sociale activiteiten.

21. Welk signaal kan wijzen op een verhoogd risico op suïcidaliteit?

A.Toegenomen sociale interactie.
B.Verbetering van stemming.
C.Afscheid nemen van mensen.
D.Verhoogde fysieke activiteit.

22. Wat is ONJUIST over suïcidaliteit?

A.Komt ook voor bij kinderen
B.Is een probleem voor ouderen
C.Komt alleen voor bij volwassenen
D.Is een wereldwijd probleem

23. Wat is een valse stelling over privacy en suïcidaliteit?

A.Privacy is minder belangrijk in crisis situaties.
B.Patiënten hebben recht op privacy, zelfs bij suïcidaliteit.
C.Informatie over suïcidaliteit moet zorgvuldig worden behandeld.
D.Zorgverleners moeten vertrouwelijkheid respecteren.

24. Vul de lege plek in: Een _____ is een specifieke gebeurtenis die kan leiden tot suïcidaliteit.

A.trigger
B.uitkomst
C.doel
D.plan

25. Wat houdt follow-up zorg in?

A.Het beëindigen van de behandeling.
B.Voortdurende ondersteuning na een crisis.
C.Het starten van nieuwe medicatie.
D.Een evaluatie van de diagnose.

26. Wat zijn signalen van suïcidaliteit bij jongeren?

A.Verhoogde energie
B.Slechte schoolprestaties
C.Toename van sociale activiteiten
D.Verbeterde emoties

27. Welke rol speelt cultuur in de behandeling van suïcidaliteit?

A.Cultuur heeft geen invloed op suïcidaliteit.
B.Cultuur kan de perceptie en behandeling van suïcidaliteit beïnvloeden.
C.Alle culturen beschouwen suïcidaliteit hetzelfde.
D.Cultuur maakt suïcidaliteit minder ernstig.

28. Geef een voorbeeld van een risicofactor voor suïcidaliteit.

A.Een geschiedenis van depressie.
B.Een sterke sociale steun.
C.Een goede fysieke gezondheid.
D.Een positieve levenssituatie.

29. Wat zijn effectieve copingstrategieën voor patiënten?

A.Negeren van problemen.
B.Ademhalingsoefeningen en sociale steun zoeken.
C.Isolatie van vrienden en familie.
D.Actief vermijden van emotionele uitdrukkingen.

30. Wat kan een signaal zijn van suïcidale gedachten?

A.Praten over de toekomst
B.Maken van doodswensen
C.Toon van vreugde
D.Verhogen van sociale contacten

31. Wat is een belangrijke ethische uitdaging voor verpleegkundigen?

A.Het prioriteren van hun eigen welzijn boven dat van de patiënt.
B.Het balanceren van autonomie van de patiënt met de noodzaak van veiligheid.
C.Het negeren van wettelijke verplichtingen.
D.Het verstoren van de vertrouwelijkheid van de patiënt.

32. Wat betekent de term 'suïcidecrisis'?

A.Een acute situatie met intense suïcidaliteit.
B.Een periode van herstel na suïcidaliteit.
C.Een moment van helderheid bij een suïcidal persoon.
D.Een reguliere therapiesessie.

33. Wat betekent de term suïcideprotocol?

A.Een lijst van medicatie.
B.Document met richtlijnen voor verpleegkundigen in het omgaan met suïcidaliteit.
C.Een samenvatting van een patiëntenverslag.
D.Een evaluatie van behandelresultaten.

34. Hoe beïnvloedt substantiële gebruik het suïcidaliteitsrisico?

A.Verlaagt het risico
B.Verhoogt het risico
C.Heeft geen effect
D.Is alleen problematisch bij jongeren

35. Wat zijn de verantwoordelijkheden van de zorginstelling bij suïcidaliteit?

A.Zorginstellingen moeten veilige omgevingen bieden en zorg garanderen.
B.Zorginstellingen hoeven geen maatregelen te nemen.
C.Zorginstellingen mogen patiënten niet ondersteunen.
D.Zorginstellingen zijn niet verantwoordelijk voor suïcidaliteit.

36. Wat zijn zelfdodingsgedachten?

A.Denkbeelden over het beëindigen van het eigen leven.
B.Gedachten over het verbeteren van de levensomstandigheden.
C.Ideeën over het helpen van anderen.
D.Overpeinzingen over dagelijkse stress.

37. Wat is geen teken van verandering in suïcidaliteit?

A.Plotselinge interesse in activiteiten.
B.Verbetering van stemming.
C.Verlies van eetlust.
D.Verhoogde sociale interactie.

38. Waarom zijn emotionele instabiliteit en impulsiviteit risicofactoren?

A.Leiden tot betere beslissingen
B.Zorgen voor stabiliteit
C.Leiden tot ondoordachte beslissingen
D.Creëren sociale netwerken

39. Wat houdt de meldplicht in?

A.Zorgverleners mogen suïcidaliteit niet melden.
B.Bij ernstige suïcidaliteit moet er melding gedaan worden bij de juiste instanties.
C.Meldplicht is alleen van toepassing op geestelijke gezondheidszorg.
D.Zorgverleners kunnen zelf bepalen wanneer ze moeten melden.

40. Wat is de rol van de verpleegkundige bij suïcidaliteit?

A.Verpleegkundigen bieden ondersteuning en signaleren risicofactoren.
B.Verpleegkundigen schrijven altijd medicatie voor.
C.Verpleegkundigen vermijden het onderwerp van suïcidaliteit.
D.Verpleegkundigen zijn alleen verantwoordelijk voor fysieke gezondheid.

41. Wat is het belang van familiebetrokkenheid in de zorg voor suïcidale patiënten?

A.Het schept extra druk op de patiënt.
B.Het kan steun bieden en een netwerk van zorg creëren.
C.Het vermindert de communicatie met de patiënt.
D.Het heeft geen invloed op het herstelproces.

42. Wat is een effect van het verlies van een dierbare?

A.Intens verdriet
B.Verhoogde sociale contacten
C.Betere mentale gezondheid
D.Minder zorgen

43. Welke van de volgende opties is geen kenmerk van goede zorg?

A.Zorg die rekening houdt met de behoeften van de patiënt.
B.Zorg die de privacy van de patiënt respecteert.
C.Zorg die alleen door één zorgverlener wordt uitgevoerd.
D.Zorg die geïnformeerde toestemming vereist.

44. Waarop moet je letten bij suïcidale patiënten?

A.Veranderingen in gedrag en sociale isolatie.
B.Hun deelname aan sociale evenementen.
C.Hun fysieke conditie.
D.Hun financiële situatie.

45. Wat is de rol van medicatie in relatie tot suïcidaliteit?

A.Medicatie is altijd schadelijk.
B.Sommige medicijnen kunnen suïcidale gedachten verminderen.
C.Medicatie heeft geen effect op suïcidaliteit.
D.Alle medicijnen verhogen suïcidaliteit.

46. Wat zijn levensveranderende gebeurtenissen?

A.Verlies van vrienden
B.Scheiding en ontslag
C.Nieuwe hobby's
D.Verhuizen naar een nieuw huis

47. Wat is de invloed van wetgeving op verpleegkundige zorg?

A.Wetgeving heeft geen invloed op verpleegkundigen.
B.Wetgeving regelt de verantwoordelijkheden en rechten van verpleegkundigen.
C.Wetgeving maakt het werk van verpleegkundigen moeilijker zonder voordelen.
D.Wetgeving is alleen van toepassing op ziekenhuizen.

48. Dat klopt of dat klopt niet: Suïcidaliteit is altijd zichtbaar.

A.Dat klopt niet.
B.Dat klopt.
C.Dat klopt meestal.
D.Dat klopt soms.

49. Wat is de betekenis van psycho-educatie?

A.Het is alleen gericht op medicatie-inname.
B.Het informeren van patiënten over hun aandoening en behandelmogelijkheden.
C.Het is een vorm van psychiatrische evaluatie.
D.Het is niet nuttig in de verpleegkundige zorg.

50. Hoe herken je psychische pijn?

A.Door verhoogde energie
B.Door veranderingen in stemmingen
C.Door toename van sociale activiteiten
D.Door meer lachen

51. Wat is een belangrijk aspect van ethische zorg?

A.Het negeren van patiëntenwensen.
B.Rekening houden met morele principes zoals rechtvaardigheid.
C.Voorkeur geven aan zorgverleners boven patiënten.
D.Zorg bieden zonder enige discussie.

52. Wat zijn copingmechanismen?

A.Strategieën om met stress en emoties om te gaan.
B.Technieken voor het negeren van problemen.
C.Acties om anderen te manipuleren.
D.Manieren om problemen te ontvluchten.

53. Wat is het verschil tussen acute en chronische suïcidaliteit?

A.Acute suïcidaliteit is langdurig, terwijl chronische tijdelijk is.
B.Chronische suïcidaliteit is een gevolg van een specifieke gebeurtenis.
C.Acute suïcidaliteit is tijdelijk en kan door een specifieke gebeurtenis worden veroorzaakt.
D.Er is geen verschil tussen acute en chronische suïcidaliteit.

54. Wat is het effect van onopgeloste trauma's?

A.Verhoogt de emotionele stabiliteit
B.Kan bijdragen aan suïcidaal gedrag
C.Verbetert de sociale vaardigheden
D.Vermindert angstgevoelens

55. Wat is de impact van familie op suïcidaliteit?

A.Familie kan alleen maar druk veroorzaken zonder positieve effecten.
B.Familie kan zowel steun bieden als druk veroorzaken.
C.Familie heeft geen invloed op suïcidaliteit.
D.Familie is altijd een negatieve factor.

56. Wat is een veiligheidsplan?

A.Een plan met stappen voor veiligheid in crises.
B.Een document over financiële planning.
C.Een verzekering voor gezondheidszorg.
D.Een lijst van vrienden en familie.

57. Welke van de volgende situaties vereist een crisisinterventie?

A.Een patiënt met een verwonding.
B.Een patiënt die zijn medicijnen niet neemt.
C.Een patiënt met een acute suïcidaliteit.
D.Een patiënt die algemeen verdrietig is.

58. Welke gevolgen heeft burn-out?

A.Toegenomen motivatie
B.Gevoelens van hopeloosheid
C.Betere werkprestaties
D.Meer sociale interactie

59. Wat is een onjuiste bewering over suïcidaliteit?

A.Suïcidaliteit komt alleen voor bij volwassenen.
B.Suïcidaliteit kan op elke leeftijd voorkomen.
C.Suïcidaliteit moet altijd serieus genomen worden.
D.Zelfbeschadiging is niet hetzelfde als suïcidaliteit.

60. Wat is het verschil tussen directe en indirecte suïcidaliteit?

A.Directe suïcidaliteit betreft duidelijke daden, indirecte verwijst naar destructief gedrag.
B.Indirecte suïcidaliteit is altijd zichtbaar, directe niet.
C.Directe suïcidaliteit komt vaker voor bij ouderen.
D.Indirecte suïcidaliteit is altijd om hulp vragen.

61. Wat is de GAD-7?

A.Een medicijn voor angststoornissen.
B.Een schaal om angstklachten te meten.
C.Een richtlijn voor crisisinterventie.
D.Een type psychologische therapie.

62. Hoe beïnvloedt familiegeschiedenis suïcidaliteit?

A.Verhoogt het risico door genetische factoren
B.Heeft geen effect
C.Is alleen relevant voor jongeren
D.Verlaagt het risico

63. Wat is een belangrijk aspect van de Wet Zorg en Dwang (WZD) met betrekking tot suïcidaliteit?

A.Het regelt de rechten van patiënten met een verstandelijke beperking
B.Het biedt richtlijnen voor gedwongen opname bij suïcidaliteit
C.Het verplicht verpleegkundigen om altijd te rapporteren aan de politie
D.Het stelt verpleegkundigen in staat om zonder toestemming te handelen

64. Wat is de betekenis van de term 'stigma' in suïcidaliteit?

A.Negatieve stereotypen en oordelen over suïcidaliteit.
B.Positieve erkenning van suïcidaliteit.
C.Een vorm van therapie.
D.Een medische diagnose.

65. Wat is een symptoom van zelfbeschadiging?

A.De intentie om te sterven.
B.Emotionele ontregeling zonder zelfbeschadiging.
C.Een poging tot suïcide.
D.Het gebruik van een copingmechanisme.

66. Wat zijn copingmechanismen?

A.Zorg voor anderen
B.Geweldloosheid
C.Zelfbeschadiging
D.Positieve affirmaties

67. Wat is een voorbeeld van een suïcidaal signaal?

A.Positieve veranderingen in gedrag.
B.Vermijden van sociale situaties.
C.Toegenomen interesse in hobby's.
D.Verhoogde communicatie met vrienden.

68. Wat is het effect van financiële stress?

A.Leidt tot meer geluk
B.Verhoogt het suïcidaliteitsrisico
C.Heeft geen effect op de mentale gezondheid
D.Verhoogt de sociale interactie

69. Wat is het belangrijkste doel van een veiligheidsplan?

A.Om strategieën te bieden voor hulp in crisissituaties
B.Om medicatievoorschriften vast te leggen
C.Om gedragsverandering te stimuleren
D.Om contactgegevens van vrienden te verzamelen

70. Welke signalen zijn belangrijk bij ouderen?

A.Verhoogde activiteit
B.Sociale isolatie
C.Betere mentale gezondheid
D.Actieve hobby's

71. Welke benadering kan het beste helpen bij het verminderen van suïcidale gedachten?

A.Zelfhulpboeken lezen
B.Cognitieve gedragstherapie
C.Regelmatig sporten
D.Sociale media gebruiken

72. Wat kan leiden tot identiteitsproblemen?

A.Sterke sociale netwerken
B.Duidelijke levensdoelen
C.Verlies van zelfvertrouwen
D.Voldoende ondersteuning

Related Study Sets

Create Your Own Study Set

Upload a PDF, paste your notes, or describe a topic – AI generates flashcards, quizzes and more in seconds.