Eindexamen marktvormen flashcards

Eindexamen marktvormen flashcards voor economie. Leer de belangrijkste concepten en termen omtrent marktvormen.

WolfMila2·19 flashcards·16 questions
eindexameneconomicsmicro
0
Known
1 / 19
0
Learning
Front

Wat is een perfecte concurrentie?

Tap to flip
Back

Een marktvorm met veel aanbieders en vragers, identieke producten en vrij toegankelijke markt.

Tap to flip
Got it
Still learning

Quiz(16 questions)

Question 1 of 16

1. Wat is geen kenmerk van perfecte concurrentie?

Terms in this Study Set(19)

Wat is een perfecte concurrentie?

Een marktvorm met veel aanbieders en vragers, identieke producten en vrij toegankelijke markt.

Kenmerken van monopolie?

Één aanbieder, unieke producten, hoge toetredingsdrempels en prijszettingsmacht.

Wat is oligopolie?

Een marktvorm met enkele aanbieders die invloed op de prijs hebben; producten zijn vaak vergelijkbaar.

Verschil monopolistische concurrentie en oligopolie?

Bij monopolistische concurrentie zijn er veel aanbieders en gedifferentieerde producten; oligopolisten zijn weiniger in aantal.

Wat zijn privatiseringen?

Overdracht van staatsbedrijven naar de particuliere sector, om efficiëntie en concurrentie te vergroten.

Wat is prijsdiscriminatie?

Dezelfde producten worden verkocht tegen verschillende prijzen aan verschillende consumenten.

Wat is een marktevenwicht?

De situatie waarin vraag en aanbod gelijk zijn, resulterend in een stabiele prijs.

Wat beïnvloedt de vraag?

Prijs, inkomen, voorkeuren, en prijzen van substituten en complementen.

Wat beïnvloedt het aanbod?

Productiekosten, technologie, aantal aanbieders en verwachtingen over de toekomst.

Wat is een prijsbepalende factor?

Een element dat de prijs van een product beïnvloedt, zoals vraag, aanbod en concurrentie.

Wat is een negatieve externe effect?

Een onbedoeld effect van een economische activiteit dat schade toebrengt aan derden, bijvoorbeeld milieuvervuiling.

Wat is een oligopolie?

Een marktvorm waar een aantal aanbieders de markt beheersen en onderling afhankelijk zijn.

Wat is een prijsindex?

Een maatstaf voor het volgen van prijsveranderingen van goederen en diensten over tijd.

Wat zijn externe effecten?

Kosten of baten die niet in de prijs van goederen zijn opgenomen en anderen beïnvloeden.

Wat is de betekenis van 'schaarste'?

De situatie waarin de beschikbare middelen niet voldoende zijn om in alle behoeften te voorzien.

Wat is de rol van de overheid in de markt?

Zorgen voor concurrentie, reguleren van monopolies en beschermen van consumentenrechten.

Wat is de vraagcurve?

Een grafische weergave van de relatie tussen prijs en hoeveelheid die consumenten willen kopen.

Wat is de aanbodcurve?

Een grafische weergave van de relatie tussen prijs en hoeveelheid die producenten willen aanbieden.

Wat is het verschil tussen vraag- en aanbodelasticiteit?

Vraagelasticiteit meet de verandering in vraag bij prijsverandering; aanbodelasticiteit meet de verandering in aanbod.

Questions in this Study Set(16)

1. Wat is geen kenmerk van perfecte concurrentie?

A.Veel aanbieders
B.Unieke producten
C.Vrije toetreding
D.Volledige informatie

2. Bij welke marktvorm zijn er maar enkele aanbieders?

A.Perfecte concurrentie
B.Monopolie
C.Oligopolie
D.Monopolistische concurrentie

3. Is prijsdiscriminatie altijd toegestaan?

A.Ja, altijd
B.Nee, nooit
C.Ja, onder bepaalde voorwaarden
D.Nee, alleen voor overheidsdiensten

4. Wat betekent 'monopolie'?

A.Veel aanbieders
B.Één aanbieder
C.Weinig aanbieders
D.Geen aanbieders

5. Wat beïnvloedt vraag naar een product?

A.Aanbod
B.Overheid
C.Prijs
D.Kosten

6. Wat is een voorbeeld van een negatieve externe effect?

A.Rook van fabrieken
B.Hogere lonen
C.Tevreden klanten
D.Innovatie

7. Wat is een voorbeeld van een schaarste?

A.Overvloedige middelen
B.Beperkte natuurlijke hulpbronnen
C.Veel goederen
D.Geen vraag

8. Wat is de vraagcurve?

A.Grafiek van prijs vs aanbod
B.Grafiek van prijs vs vraag
C.Onveranderlijke lijn
D.Periodieke fluctuatie

9. Wat is het doel van privatisering?

A.Verlies maximaliseren
B.Efficiëntie verbeteren
C.Concurrentie verminderen
D.Overheid versterken

10. Is oligopolie altijd schadelijk voor de consument?

A.Ja, altijd
B.Nee, nooit
C.Ja, meestal
D.Nee, soms gunstig

11. Wat zijn complementaire goederen?

A.Goederen die samen gekocht worden
B.Goederen die elkaar vervangen
C.Goederen zonder vraag
D.Onveranderlijke goederen

12. Wat is de rol van de overheid in markten?

A.Regulering van prijzen
B.Zorgen voor monopolies
C.Bevorderen van concurrentie
D.Verlaging van belasting

13. Wat is de aanbodcurve?

A.Grafiek van aanbod vs vraag
B.Grafiek van prijs vs aanbod
C.Geen invloed
D.Perpetuele groei

14. Wat is de oorzaak van prijselasticiteit?

A.Verandering in inkomen
B.Verandering in kosten
C.Verandering in vraag
D.Verandering in prijs

15. Wat is een markt?

A.Plaats van verkoop
B.Verzameling kopers en verkopers
C.Economie van een land
D.Een bedrijf

16. Wat zijn substituten?

A.Goederen die elkaar vervangen
B.Goederen die samen worden gekocht
C.Onveranderlijke goederen
D.Goederen met hoge kwaliteit

Related Study Sets

Create Your Own Study Set

Upload a PDF, paste your notes, or describe a topic – AI generates flashcards, quizzes and more in seconds.