Gedrag en ethologie samenvatting

Deze set flashcards biedt een samenvatting van gedrag en ethologie voor het eindexamen biologie, met belangrijke begrippen en voorbeelden.

LiamVisser·56 flashcards·56 questions
eindexamenbiologyzoology
0
Known
1 / 56
0
Learning
Front

Wat is ethologie?

Tap to flip
Back

De studie van het gedrag van dieren in hun natuurlijke omgeving.

Tap to flip
Got it
Still learning

Quiz(56 questions)

Question 1 of 56

1. Wat is een voorbeeld van aangeleerd gedrag?

Terms in this Study Set(56)

Basisbegrippen van Ethologie(16)

Wat is ethologie?

De studie van het gedrag van dieren in hun natuurlijke omgeving.

Wat bestudeert ethologie?

Diergedrag, interacties, communicatie en evolutie van gedrag.

Wat zijn aangeleerd en instinctief gedrag?

Aangeleerd gedrag: door ervaring. Instinctief gedrag: aangeboren, automatisch.

Wat is het verschil tussen ethologie en psychologie?

Ethologie richt zich op dieren; psychologie op menselijk gedrag.

Vul de lege ruimte in: Het gedrag van dieren wordt beïnvloed door ____.

genetica, omgeving, ervaringen.

Wat is een gedragselement?

Een specifieke actie of reactie van een dier binnen zijn gedrag.

Wat zijn de componenten van gedrag?

De stimulus, reactie, motivatie en context van het gedrag.

Waarvoor dient gedrag in de evolutie?

Voor overleving, voortplanting en aanpassing aan de omgeving.

Wat is het 'natuurlijke selectiemechanisme'?

Het proces waarbij individuen met voordelige eigenschappen overleven en zich voortplanten.

Waar is 'territorialiteit' voor bedoeld?

Voor het beschermen van voedsel, broedplaatsen en voortplantingspartners.

Wat is het verschil tussen intrinsieke en extrinsieke motivatie?

Intrinsiek: motivatie van binnenuit; extrinsiek: motivatie door externe factoren.

Waarvoor staan de termen 'proximale' en 'ultimate' oorzaken?

Proximale: directe oorzaken. Ultimate: evolutionaire redenen achter gedrag.

Wat is imprinting?

Een kritieke periode waarin jonge dieren specifieke eigenschappen leren van ouderdieren.

Waarom communiceren dieren?

Voor het aantrekken van partners, waarschuwen voor gevaar en sociale interactie.

Wat is een voorbeeld van sociaal gedrag?

Groepsvorming, zoals in kuddes of kolonies.

Wat is een ethogram?

Een systematische beschrijving van gedragingen van een diersoort.

Gedragsvormen en -mechanismen(16)

Wat is aangeleerd gedrag?

Gedrag dat door ervaring of oefening is verworven. Voorbeeld: een hond leren zitten.

Vul de lege plek in: Instinctief gedrag is __________.

Gedrag dat aangeboren is, niet geleerd.

Vergelijk instinctief gedrag en aangeleerd gedrag.

- Instinctief: aangeboren, geen oefening nodig. - Aangeleerd: vereist ervaring.

Wat is het doel van paringsgedrag?

Het voortplanten en het doorgeven van genen aan de volgende generatie.

Waaruit bestaat sociaal gedrag?

Interactie tussen soortgenoten, communicatie en samenwerking.

Waar dient territoriaal gedrag voor?

Het afbakenen van een gebied om hulpbronnen te beschermen.

Waarop is agressief gedrag gericht?

Het verdedigen van territorium, voedsel of parters tegen indringers.

Waarvoor is verzorgend gedrag essentieel?

Het waarborgen van de overleving van nageslacht. Voorbeeld: ouders verzorgen jongen.

Wat is imprinting?

Een leerproces waarbij een jong dier een eerste levensperiode sterk gebonden raakt aan een object, vaak de ouder.

Wat is het verschil tussen simpele en complexe gedragingen?

Simpele gedragingen zijn reflexen; complexe gedragingen zijn leren en probleemoplossing.

Waaruit bestaat de motivatie achter migratiegedrag?

Seizoensgebonden veranderingen, zoals voedselbeschikbaarheid en voortplantingsgebieden.

Wat is het effect van sociaal leren?

Dieren leren van elkaar, wat leidt tot efficiënter gedrag zonder eigen ervaring.

Vul de lege plek in: Het gedrag van een dier is __________.

Het resultaat van zowel genetische als omgevingsfactoren.

Wat is het doel van communicatiegedrag?

Informatie uitwisselen om sociale interacties en samenwerking te bevorderen.

Wat is het gevolg van competitiegedrag?

Minder toegang tot hulpbronnen voor sommige individuen, wat kan leiden tot stress.

Wat zijn de twee hoofdtypes van gedrag?

Instinctief gedrag en aangeleerd gedrag.

Sociale Interacties en Communicatie(12)

Wat is sociale communicatie?

Informatie-uitwisseling tussen dieren van dezelfde soort. Dit kan verbale of non-verbale signalen omvatten.

Geef een voorbeeld van visuele communicatie.

Kleurverandering bij koraalriffen om andere vissen te waarschuwen of aan te trekken.

Waarvoor dienen geurcommunicatie en feromonen?

Voor het aantrekken van partners, markeren van territorium en het waarschuwen voor gevaren.

Waaruit bestaat de sociale structuur van een olifantenfamilie?

De sociale structuur bestaat uit een matriarch, haar dochters en hun jongen. - Sterk hiërarchisch - Samenwerking in zorg

Waaruit blijkt dat communicatie nuttig is?

Het bevordert de overleving en voortplanting door het delen van informatie over voedsel en gevaar.

Waarvoor gebruiken bijen danscommunicatie?

Om de locatie van bloemen aan andere bijen door te geven. - Waggeldans en ronde dans.

Wat is het verschil tussen territoriaal gedrag en sociaal gedrag?

Territoriaal gedrag is gericht op het verdedigen van een gebied, terwijl sociaal gedrag interactie met soortgenoten bevordert.

Vul in: De geluiden van walvissen zijn een voorbeeld van ____ communicatie.

auditieve

Wat is het doel van paringsrituelen?

Paringsrituelen zijn bedoeld om partners aan te trekken en de voortplanting te bevorderen.

Waarvoor dient het uitwisselen van voedsel tussen chimpansees?

Het versterkt sociale banden en bevordert samenwerking binnen de groep.

Waarvoor gebruiken vogels hun gezang?

Om territorium af te bakenen en partners aan te trekken. - Verschillende tonen en patronen.

Waarin verschilt agressief gedrag van competitief gedrag?

Agressief gedrag is gericht op het veroorzaken van schade, terwijl competitief gedrag gericht is op het winnen van hulpbronnen.

Aanpassing en Evolutie(12)

Wat is natuurlijke selectie?

Het proces waarbij organismen met gunstige eigenschappen zich beter voortplanten, waardoor deze eigenschappen in de populatie toenemen.

Hoe beïnvloedt gedrag evolutie?

Gedrag kan overlevingskansen vergroten: - Voedsel zoeken - Predatoren vermijden - Partnerkeuze.

Waarvoor dient camouflage?

Camouflage helpt dieren te verbergen voor vijanden, wat hun overlevingskansen verhoogt.

Waaruit bestaat adaptief gedrag?

Adaptief gedrag zijn acties die de kans op overleven en voortplanting vergroten.

Wat is het verschil tussen aanpassing en acclimatisatie?

Aanpassing is een genetische verandering in de populatie. Acclimatisatie is een tijdelijke aanpassing aan de omgeving.

Vul de lege ruimte in: 'Gedrag dat leidt tot een hogere _____ kan evolutie bevorderen.'

reproductieve succes.

Wat is het belang van sociale structuren in dierenpopulaties?

Sociale structuren helpen bij: - Samenwerking - Bescherming - Voedselverdeling.

Waarvoor zijn territoria belangrijk?

Territoria helpen bij het beschermen van middelen zoals voedsel en nestplaatsen tegen concurrenten.

Wat heeft invloed op de voortplanting van een soort?

Factoren zoals: - Omgevingsomstandigheden - Beschikbaarheid van partner - Voedselvoorziening.

Waar staat het acroniem 'K-strategen' voor?

K-strategen zijn organismen die investeren in de zorg voor een beperkte hoeveelheid nakomelingen.

Waaruit bestaat het fenomeen ' seksuele selectie'?

Seksuele selectie bevordert eigenschappen die aantrekkelijk zijn voor het andere geslacht, zoals kleurrijke veren of krachtige zang.

Waarvoor dient migratie?

Migratie helpt dieren om: - Voedsel te vinden - Geschikte broedlocaties te bereiken - Ongunstige klimaten te vermijden.

Questions in this Study Set(56)

1. Wat is een voorbeeld van aangeleerd gedrag?

A.Een hond leren zitten
B.Eendjes die achter hun moeder aanlopen
C.Vogels die migreren
D.Een kat die in de regen schuilt

2. Wat is het belangrijkste doel van sociale communicatie tussen dieren?

A.Informatie-uitwisseling tussen soortgenoten.
B.Aggressie tonen aan andere soorten.
C.Voedsel winnen van concurrenten.
D.Territorium verdedigen.

3. Wat bestudeert ethologie voornamelijk?

A.De interacties en gedragingen van dieren in hun natuurlijke omgeving.
B.De genetische samenstelling van verschillende diersoorten.
C.De anatomie van dieren en hun organen.
D.De invloed van mensen op diersoorten.

4. Wat is de belangrijkste factor die natuurlijke selectie aandrijft?

A.Genetische variatie
B.Voedselconsumptie
C.Klimaatverandering
D.Seizoensgebonden migratie

5. Wat is instinctief gedrag?

A.Gedrag dat aangeleerd is
B.Gedrag dat aangeboren is
C.Gedrag dat afhankelijk is van de omgeving
D.Gedrag dat alleen voorkomt bij sociale dieren

6. Welke van de volgende voorbeelden is geen vorm van visuele communicatie?

A.Kleurverandering bij koraalriffen.
B.Een vogel die zingt.
C.Een hert dat zijn gewei toont.
D.Een octopus die zijn huidpatronen verandert.

7. Wat is een voorbeeld van instinctief gedrag?

A.Het bouwen van een nest door een vogel.
B.Een hond die leert zitten op commando.
C.Een kind dat leert fietsen.
D.Een aap die een nieuwe truc leert.

8. Welke van de volgende gedragingen is een voorbeeld van adaptief gedrag?

A.Zich camoufleren in het milieu
B.Speelgedrag bij jonge dieren
C.Zich verplaatsen naar een andere locatie
D.Het verzorgen van zieke soortgenoten

9. Wat is een belangrijk doel van paringsgedrag?

A.Voedsel zoeken
B.Territorium afbakenen
C.Voortplanten
D.Communicatie met soortgenoten

10. Wat is een primaire functie van feromonen in geurcommunicatie?

A.Het markeren van territorium.
B.Het aantrekken van voedsel.
C.Het verdedigen van een nest.
D.Het verwarren van vijanden.

11. Wat is het belangrijkste verschil tussen ethologie en psychologie?

A.Ethologie bestudeert dieren, psychologie bestudeert mensen.
B.Ethologie richt zich op plantengedrag, psychologie op dierengedrag.
C.Psychologie houdt zich bezig met sociale structuren, ethologie met individuele gedragingen.
D.Psychologie heeft geen betrekking op gedrag.

12. Wat is een belangrijk kenmerk van K-strategen?

A.Hoge voortplantingssnelheid
B.Weinig zorg voor nakomelingen
C.Investeren in de zorg voor een beperkt aantal nakomelingen
D.Snelle migratie

13. Wat houdt sociaal gedrag in?

A.Interactie tussen soortgenoten
B.Alleen agressief gedrag
C.Individueel gedrag
D.Slechts territoriaal gedrag

14. Wat is een kenmerk van de sociale structuur binnen een wolvenroedel?

A.Een dominante alpha-paar dat leidt.
B.Een egalitaire structuur zonder hiërarchie.
C.Onafhankelijke jacht door enkellingen.
D.Afwezigheid van samenwerking.

15. Wat zijn de componenten van gedrag?

A.Stimulus, reactie, motivatie en context.
B.Genetica, omgeving, ervaring en soort.
C.Communicatie, voedsel, partners en territorium.
D.Training, observatie, beloning en straf.

16. Welk van de volgende gedragspatronen bevordert seksuele selectie?

A.Voedsel delen
B.Paringsdans
C.Territoriaal gedrag
D.Groepsleven

17. Wat is de functie van territoriaal gedrag?

A.Voeding verwerven
B.Communicatie verbeteren
C.Hulpbronnen beschermen
D.Migratie bevorderen

18. Waarom is communicatie belangrijk voor de voortplanting bij dieren?

A.Het helpt bij het vinden van voedsel.
B.Het voorkomt vijandige ontmoetingen.
C.Het bevordert het aantrekken van partners.
D.Het versterkt territoriaal gedrag.

19. Waarvoor is territoriaal gedrag belangrijk?

A.Om broedplaatsen en voedselbronnen te beschermen.
B.Om nieuwe soorten te creëren.
C.Om de sociale hiërarchie binnen een groep te bepalen.
D.Om samen te werken met andere soorten.

20. Wat is het belangrijkste doel van migratie voor dieren?

A.Voedsel vinden
B.Vijanden vermijden
C.Nieuwe territoria innemen
D.Zich voortplanten

21. Wat is een voorbeeld van agressief gedrag?

A.Een hond blaft naar een onbekende
B.Een vogel bouwt een nest
C.Een vis zoekt voedsel
D.Een eend zwemt in een vijver

22. Wat is het doel van de waggeldans bij bijen?

A.Om de locatie van gevaar aan te geven.
B.Om andere bijen te waarschuwen voor een bedreiging.
C.Om voedselbronnen aan te geven.
D.Om hun territorium af te bakenen.

23. Wat is imprinting?

A.Een leermethode waarbij jonge dieren ouderlijke eigenschappen aannemen.
B.Een proces waarbij dieren zich aanpassen aan nieuwe omgevingen.
C.Een soort van sociale interactie tussen volwassen dieren.
D.Een manier van communicatie tussen verschillende diersoorten.

24. Welke van de onderstaande stellingen is ONJUIST over acclimatisatie?

A.Het is een genetische verandering.
B.Het is een tijdelijke aanpassing aan de omgeving.
C.Het helpt organismen zich aan te passen aan veranderende omstandigheden.
D.Het kan plaatsvinden door de reactie op externe factoren.

25. Waarom is verzorgend gedrag belangrijk?

A.Het vermindert agressie
B.Het verzekert de overleving van nageslacht
C.Het bevordert migratie
D.Het zorgt voor sociale interactie

26. Wat is het verschil tussen territoriaal gedrag en sociaal gedrag?

A.Territoriaal gedrag is defensief, sociaal gedrag is interactief.
B.Territoriaal gedrag is alleen gericht op voortplanting.
C.Sociaal gedrag bevordert schuilplaatsen.
D.Territoriaal gedrag komt alleen voor bij roofdieren.

27. Wat is een ethogram?

A.Een systematische beschrijving van gedragingen van een diersoort.
B.Een soort gedragsdiagnose voor zieke dieren.
C.Een classificatie van verschillende diersoorten.
D.Een document met voedingsbehoeften van dieren.

28. Welke van de volgende factoren heeft invloed op de voortplanting van een soort?

A.De beschikbaarheid van voedsel
B.De dieren in een andere biotoop
C.De kleur van de vacht
D.De grootte van de soort

29. Wat is imprinting?

A.Een leerproces dat alleen bij vogels voorkomt
B.Een proces waarbij jonge dieren een sterke band met een object creëren
C.Een vorm van territoriaal gedrag
D.Een manier van voedsel verwerven

30. Welke communicatievorm gebruiken dolfijnen voornamelijk?

A.Visuele signalen en kleuren.
B.Auditieve signalen en clicks.
C.Geurmerken en feromonen.
D.Fysieke aanraking en druk.

31. Wat is het gevolg van een veranderende omgeving op dieren?

A.Dieren kunnen hun gedrag aanpassen aan nieuwe omstandigheden.
B.Dieren worden altijd agressiever.
C.Dieren zullen hun soortgenoten verlaten.
D.Dieren zullen niet overleven in de nieuwe omgeving.

32. Wat is een voorbeeld van camouflage in de natuur?

A.Een luipaard op een tak
B.Een vogel die zingt
C.Een vis die in scholen zwemt
D.Een insect dat fladdert

33. Wat is het verschil tussen simpele en complexe gedragingen?

A.Enkel reflexen versus leren en probleemoplossing
B.Enkel aangeboren versus enkel aangeleerd
C.Enkel sociaal versus enkel individueel
D.Enkel migratie versus enkel territoriaal gedrag

34. Wat is een functie van zang bij vogels?

A.Aantrekken van partners en afbakenen van territorium.
B.Voorkomen van ziekte onder soortgenoten.
C.Versterken van hiërarchieën binnen de groep.
D.Definitief beëindigen van gevechten.

35. Welk van de volgende is een voorbeeld van sociaal gedrag?

A.Een groep wolven die samen jaagt.
B.Een vos die alleen jaagt.
C.Een vogel die alleen zingt.
D.Een vis die zich verbergt in het zand.

36. Wat wordt bedoeld met het fenomeen 'sociale structuren' in dierenpopulaties?

A.Het aantal nakomelingen dat een soort heeft
B.De manier waarop dieren samenwerken binnen een groep
C.De fysieke omgeving waarin dieren leven
D.De evolutie van een soort

37. Wat motiveert migratiegedrag?

A.Voedseltekort en verandering van seizoen
B.Agressie van soortgenoten
C.Territoriumverdediging
D.Communicatie met andere soorten

38. Welke situatie is een voorbeeld van competitief gedrag?

A.Twee mannelijke herten die vechten om een partner.
B.Een groep apen die samen speelt.
C.Vogels die samen een nest bouwen.
D.Een kat die zich terugtrekt uit een conflict.

39. Wat is het verschil tussen intrinsieke en extrinsieke motivatie?

A.Intrinsiek komt van binnenuit, extrinsiek van buitenaf.
B.Intrinsiek is gerelateerd aan groepsgedrag, extrinsiek aan individu.
C.Extrinsiek is altijd negatief, intrinsiek positief.
D.Ze zijn synoniemen en betekenen hetzelfde.

40. Wat is het effect van natuurlijke selectie op een populatie?

A.Het vergroot de genetische diversiteit
B.Het vermindert de kans op overleving
C.Het bevordert de verspreiding van ongunstige eigenschappen
D.Het verhoogt de frequentie van gunstige eigenschappen

41. Wat is het effect van sociaal leren?

A.Dieren leren van elkaar
B.Dieren vermijden elkaar
C.Dieren vermeerderen sneller
D.Dieren migreren niet

42. Wat is een voorbeeld van non-verbale communicatie bij mensen?

A.Het geven van een handdruk.
B.Het maken van een telefoongesprek.
C.Het schrijven van een brief.
D.Het versturen van een e-mail.

43. Wat zijn proximale oorzaken?

A.Directe oorzaken van gedrag.
B.Langdurige evolutionaire redenen achter gedrag.
C.Sociale invloeden op gedrag.
D.Genetische factoren die gedrag bepalen.

44. Welke rol speelt territoriaal gedrag in de overleving van een soort?

A.Het bevordert genetische variatie
B.Het helpt bij het beschermen van middelen
C.Het vermindert de sociale interactie
D.Het heeft geen invloed op de voortplanting

45. Wat bepaalt het gedrag van een dier?

A.Alleen genetische factoren
B.Alleen omgevingsfactoren
C.Genetische en omgevingsfactoren
D.Slechts sociale interacties

46. Welke actie is geen voorbeeld van sociale interactie?

A.Een groep schapen die samen graast.
B.Een hond die blaft naar een passerende auto.
C.Apen die elkaars vacht verzorgen.
D.Een vis die alleen zwemt in de oceaan.

47. Wat is de rol van communicatie bij dieren?

A.Het helpt bij het aantrekken van partners en waarschuwen voor gevaar.
B.Het zorgt ervoor dat dieren minder voedsel hoeven te zoeken.
C.Het voorkomt dat dieren agressief worden.
D.Het bevordert alleen het territoriaal gedrag.

48. Hoe helpt gedrag bij de evolutie van een soort?

A.Het vermindert de diversiteit binnen een populatie
B.Het beïnvloedt de mate van voedselconsumptie
C.Het vergroot de kans op overleven en reproductie
D.Het is niet van invloed op de evolutie

49. Wat is het doel van communicatiegedrag?

A.Uitsluitend voedsel zoeken
B.Informatie uitwisselen
C.Territoriaal gedrag vertonen
D.Agressief gedrag tonen

50. Wat beïnvloedt het gedrag van een dier?

A.Genetica, omgeving en ervaringen.
B.Alleen genetische factoren.
C.Slechts de voedselbeschikbaarheid.
D.Enkel sociale interacties.

51. Wat kan een gevolg zijn van competitiegedrag?

A.Toename van hulpbronnen
B.Minder toegang tot hulpbronnen voor sommige individuen
C.Verhoogde migratie
D.Verminderde sociale interactie

52. Wat is het voorbeeld van aangeleerd gedrag?

A.Een hond die een truc leert door beloning.
B.Een vogel die zijn nest bouwt zonder eerdere ervaring.
C.Een vis die zich instinctief verbergt.
D.Een kat die naar muizen jaagt zonder training.

53. Wat zijn de twee hoofdtypes van gedrag?

A.Instinctief en sociaal gedrag
B.Aangeleerd en reflexief gedrag
C.Instinctief en aangeleerd gedrag
D.Aangeleerd en instinctief gedrag

54. Wat is de functie van gedrag in de evolutie?

A.Overleving en voortplanting in een veranderende omgeving.
B.Het minimaliseren van voedselinname.
C.Het verminderen van agressie binnen een soort.
D.Het verlagen van de kans op sociale interacties.

55. Wat is een voorbeeld van een situatie waarin sociaal leren plaatsvindt?

A.Een jonge vogel leert een zang van zijn ouder door het te imiteren.
B.Een hond leert zitten door een beloning te krijgen.
C.Een konijn graaft een hol omdat het instinctief zo is.
D.Een vis zwemt naar een andere plek als het koud is.

56. Wat is de definitie van 'aangeleerd gedrag'?

A.Gedrag dat voortkomt uit ervaring
B.Gedrag dat genetisch bepaald is
C.Gedrag dat alleen voorkomt in sociale groepen
D.Gedrag dat nooit verandert

Related Study Sets

Create Your Own Study Set

Upload a PDF, paste your notes, or describe a topic – AI generates flashcards, quizzes and more in seconds.