Marktvormen flashcards

Flashcards over marktvormen in de micro-economie voor bovenbouwleerlingen in Nederland.

Bold18·16 Karteikarten·14 Fragen·1 Aufrufe
bovenbouweconomicsmicro
0
Gewusst
1 / 16
0
Lerne noch
Vorderseite

Wat is een perfecte concurrentie?

Tippen zum Umdrehen
Rückseite

Een marktvorm met veel aanbieders en vragers. Geen enkele partij kan de prijs beïnvloeden.

Tippen zum Umdrehen
Gewusst
Lerne noch

Quiz(14 Fragen)

Frage 1 von 14

1. Welke marktvorm heeft slechts één aanbieder?

Begriffe in diesem Lernset(16)

Wat is een perfecte concurrentie?

Een marktvorm met veel aanbieders en vragers. Geen enkele partij kan de prijs beïnvloeden.

Kenmerk van monopolistische concurrentie?

Verschillende producten met enige prijsdruk. Veel aanbieders, maar producten zijn niet identiek.

Wat is een monopol?

Een marktvorm met één aanbieder die de prijs bepaalt. Er zijn geen directe concurrenten.

Wat zijn oligopolisten?

Enkele aanbieders die de markt domineren. Beslissingen van één aanbieder beïnvloeden anderen.

Wat is prijsdiscriminatie?

Het vragen van verschillende prijzen voor hetzelfde product aan verschillende klanten.

Wat is een marktevenwicht?

De prijs en hoeveelheid waarbij vraag gelijk is aan aanbod. Geen tekorten of overschotten.

Wat gebeurt er bij een stijging van de vraag?

De evenwichtsprijs stijgt en de evenwichtshoeveelheid neemt toe.

Wat is een vraaglijn?

Een grafische weergave van de relatie tussen prijs en gevraagde hoeveelheid.

Wat zijn inkomenselasticiteit en prijselasticiteit?

Inkomenselasticiteit toont de reactie van vraag op inkomensverandering. Prijselasticiteit toont reactie op prijsverandering.

Wat is een aanbodlijn?

Een grafische weergave van de relatie tussen prijs en aangeboden hoeveelheid.

Vul in: Monopolie heeft _______ controle over prijs.

Volledige controle over prijs door gebrek aan concurrentie.

Wat zijn publieke goederen?

Goederen die niet-exclusief en niet-rivaliserend zijn, zoals defensie en straatverlichting.

Wat is het doel van een onderneming?

Maximalisatie van winst door kosten te verlagen en opbrengsten te verhogen.

Verschil tussen variabele en vaste kosten?

Vaste kosten veranderen niet met de productiehoeveelheid; variabele kosten wel.

Wat zijn externiteiten?

Kosten of baten die niet in de prijs van een goed zijn opgenomen, zoals milieuvervuiling.

Wat betekent marktfalen?

Wanneer de vrije markt niet efficiënt is in het toewijzen van middelen.

Fragen in diesem Lernset(14)

1. Welke marktvorm heeft slechts één aanbieder?

A.Monopolie
B.Oligopolie
C.Perfecte concurrentie
D.Monopolistische concurrentie

2. Wat is een kenmerk van een oligopolie?

A.Veel aanbieders
B.Één aanbieder
C.Weinig aanbieders
D.Volledige prijsvorming

3. Wat gebeurt er als de vraag stijgt?

A.Prijs daalt
B.Prijs stijgt
C.Geen verandering
D.Aanbod daalt

4. Wat is prijsdiscriminatie?

A.Zelfde prijs voor iedereen
B.Verschillende prijzen voor hetzelfde product
C.Prijzen gebaseerd op kosten
D.Prijsverhoging bij weinig vraag

5. Wat zijn publieke goederen?

A.Goederen die iedereen kan kopen
B.Goederen met exclusieve toegang
C.Niet-rivaliserende en niet-exclusieve goederen
D.Goederen met hoge kosten

6. Wat is een voorbeeld van marktfalen?

A.Volledige marktdominantie
B.Perfecte concurrentie
C.Externe kosten
D.Maximale winst

7. Wat is het doel van een onderneming?

A.Maximaliseren van winst
B.Verlagen van prijzen
C.Vergroten van concurrentie
D.Vermijden van kosten

8. Wat is een vraaglijn?

A.Lijn die kosten weergeeft
B.Lijn die vraag geeft weer
C.Lijn van aanbod
D.Lijn van concurrentie

9. Wat is het verschil tussen variabele en vaste kosten?

A.Vaste kosten veranderen niet
B.Beide zijn altijd gelijk
C.Variabele kosten zijn hoger
D.Vaste kosten zijn altijd lager

10. Wat is monopolistische concurrentie?

A.Één aanbieder
B.Verschillende aanbieders met verschillende producten
C.Geen aanbieders
D.Volledige concurrentie

11. Wat is een aanbodlijn?

A.Grafiek van vraag
B.Relatie tussen prijs en aanbod
C.Prijsdiscriminatie
D.Marktfalen

12. Wat zijn externiteiten?

A.Effecten op de prijs
B.Kosten of baten voor derden
C.Winst van bedrijven
D.Marktverstoringen

13. Wat is het effect van een daling van de vraag?

A.Prijs stijgt
B.Prijs daalt
C.Aanbod stijgt
D.Geen verandering

14. Verschil tussen vraag en aanbod?

A.Vraag is wat consumenten willen
B.Aanbod is wat consumenten wensen
C.Vraag heeft geen impact
D.Aanbod is altijd gelijk

Ähnliche Lernsets

Eigenes Lernset erstellen

Lade ein PDF hoch, füge Notizen ein oder beschreibe ein Thema – KI erstellt Karteikarten, Quizze und mehr in Sekunden.