Vocabulaire: Engels vervoer

Deze flashcards bevatten vocabulaire rondom het thema Engels vervoer, gericht op onderbouwleerlingen. Elk kaartje bevat een Engels woord of uitdrukking aan de voorkant en de Nederlandse vertaling aan de achterkant.

Emma88·26 Karteikarten·22 Fragen·3 Aufrufe
onderbouwlanguagesenglish
0
Gewusst
1 / 26
0
Lerne noch
Vorderseite

bus

Tippen zum Umdrehen
Rückseite

bus

Tippen zum Umdrehen
Gewusst
Lerne noch

Quiz(22 Fragen)

Frage 1 von 22

1. Wat betekent bus?

Begriffe in diesem Lernset(26)

bus

bus

train

trein

car

auto

bicycle

fiets

airplane

vliegtuig

to drive

rijden

to ride

rijden

to travel

reizen

station

station

ticket

kaartje

route

route

traffic

verkeer

bus stop

bushalte

terminal

terminal

departure

vertrek

arrival

aankomst

map

kaart

vehicle

voertuig

passenger

passagier

journey

reis

to wait

wachten

to board

instappen

destination

bestemming

fare

tarief

fuel

brandstof

highway

snelweg

Fragen in diesem Lernset(22)

1. Wat betekent bus?

A.bus
B.auto
C.trein
D.vliegtuig

2. Welk woord betekent vliegtuig?

A.auto
B.bus
C.trein
D.airplane

3. Wat betekent to travel?

A.reizen
B.rijden
C.wachten
D.instappen

4. Welk woord betekent passagier?

A.passenger
B.rijden
C.verkeer
D.ticket

5. Wat betekent kaartje?

A.ticket
B.route
C.station
D.verkeer

6. Welk woord betekent snelweg?

A.highway
B.aankomst
C.verkeer
D.bestemming

7. Wat betekent vertrek?

A.departure
B.arrive
C.map
D.journey

8. Welk woord betekent brandstof?

A.fuel
B.tarief
C.kaart
D.station

9. Wat betekent fietsen?

A.to ride
B.to drive
C.to travel
D.to wait

10. Welk woord betekent verkeersdrukte?

A.traffic
B.journey
C.route
D.vehicle

11. Wat betekent vertrektijd?

A.departure time
B.arrival time
C.ticket
D.map

12. Welk woord betekent kaart?

A.map
B.route
C.vehicle
D.fare

13. Wat is de betekenis van bestemming?

A.destination
B.departure
C.map
D.passenger

14. Welk woord betekent voertuig?

A.vehicle
B.bicycle
C.bus stop
D.ticket

15. Wat is de vertaling van trein?

A.train
B.vehicle
C.station
D.traffic

16. Welk woord betekent reizen?

A.to travel
B.to drive
C.to wait
D.to ride

17. Wat betekent fietsen in het Engels?

A.bicycle
B.car
C.train
D.bus

18. Wat is de Engelse term voor bushalte?

A.bus stop
B.bus station
C.train station
D.traffic light

19. Welk woord betekent instappen?

A.to board
B.to depart
C.to travel
D.to drive

20. Wat betekent tarief?

A.fare
B.fuel
C.ticket
D.route

21. Welk woord betekent aankomst?

A.arrival
B.departure
C.journey
D.vehicle

22. Wat is de Engelse vertaling van snelweg?

A.highway
B.main road
C.street
D.traffic

Ähnliche Lernsets

Eigenes Lernset erstellen

Lade ein PDF hoch, füge Notizen ein oder beschreibe ein Thema – KI erstellt Karteikarten, Quizze und mehr in Sekunden.